4-6-2026
Naar de lucht vertrekt mijn blik,
daar waar echo’s van belevingen weerklinken.
Wolkenslierten vouwen zich verzacht
om de werveling van wind uit verre oorden.
Een fluistering die eeuwig in mijn hart verblijft,
is hoorbaar zolang ik luister naar haar stem;
ze klinkt voorbij gisteren, voorbij vandaag.
Voorbij hoop en wanhoop
scheur en heelheid,
geluk en ongeluk.
Ineens zie ik mijn lichaam dansen met
gebogen gras,
met hun gouden pluimen in tegenlicht,
door warme zon omhuld.
Het licht, zal het net zo oud zijn als de wind?
Mijn vinger tekent wolkenlijnen
en zij zwieren met de deining die mijn beweging schiep.
Mijn hart klopt zo luid
als het schreeuwen van vogels in het morgenrood,
als wilde herten, opspringend uit stuivend zand.
Pulserend bloed in elke ader,
tot in de diepe aardse bodem.
Mijn adem reikt tot aan
het startpunt van de bomen.
En alles –
Alles!
Ademt mee!
Hartslag van creatie,
ik val in je,
plotseling en geruisloos.
En daar is ze, de stilte in beweging,
stilte in een kreet,
stilte in mijn dans,
zelfs bij soms wanhopig zoeken
naar een plek die niet bestaat,
verdwaald.
Nergens heen, nergens heen,
lieve jij.
Nergens heen,
dan hier.
Hartslag van de aarde,
echoot in de mijne
en in het kleine
ruist de ruimste oceaan.
Ik val in alles
en alles valt in mij.
Zo zijn we scheppers
vanuit het centrum van het centrum,
voorbij hoop en wanhoop.
Voorbij scheur en heelheid
geluk en ongeluk.
Zo klopt ons hart, zo luid
als vogels zingend in het morgenrood.
En alles,
Alles!
Ademt mee.